Lot

kaah.nl

foto 1Ik ontmoet regelmatig lotgenoten. Gewoon ‘in het wild’. We (NAH’ers) zijn tenslotte met 600.000. Er kan er zomaar eentje naast je staan bij de bakker. Dikke kans dat je ons niet eens herkent! Want sinds gisteren weet ik het zeker; je ziet niet wat er wél is. Gisteren zijn we (wederhelft en ik) voor het eerst naar een lotgenotenbijeenkomst geweest. Een vriendelijke man stapte bij binnenkomst direct op ons af. Belangstellend vroeg hij of we allebei een hersenbeschadiging hadden. Geen rare vraag, ik zag ook niet wie wel of wie niet. “Goddank niet!” flapten we er vlak na elkaar uit. Ik heb mij de hele avond iets afgevraagd: Waar zijn mijn “ook afwijkend pratende” broeders en zusters?

Er waren ongeveer 50 mensen. De ene helft worstelende met zijn/haar mankementje, en de andere helft (partner, vader, vriendin) worstelende ook met dat euvel van de ander. Misschien kwam het door het thema “Niet zichtbaar hersenletsel”? Misschien waren ze er toevallig gewoon niet? Misschien zijn het er gewoon heel weinig? Misschien heb ik ze niet herkend? Misschien waren ze verlegen of te moe? Misschien hadden ze geen vervoer of gewoon geen behoefte aan het delen van hun lot? Misschien zat ik niet tussen de “goeie” lotgenoten? Of waren ze bang dat ze iemand zouden moeten antwoorden, en zijn ze daarom weggebleven?

Ik ben bang dat ze er wél waren. Zichtbaar, maar geruisloos. Verstopt in de enorme kring. De mensen met spraak- of taalproblemen als gevolg van hun letsel. Ik ben bang dat ze hele zinnige dingen te vertellen hadden. Dat ze aanvullingen hadden waar we allemaal op zaten te wachten. En we zouden hen ademloos alle tijd en aandacht hebben gegeven. We hebben ze niet gehoord. Ik ben bang dat de drempel om te praten te hoog was. Ik ben bang dat ze hun mond hebben gehouden.

Logo kaartje