Toegankelijk

kaah.nl

cropped-foto-21-e1429257329790.jpg

Je kent iemand die zich in een rottige situatie bevindt. Ziek, gescheiden of een dierbare verloren. En je weet dat je even zou moeten vragen hoe het gaat, maar op de een of andere manier moet je een drempel over. Voor de één is het een hobbeltje, voor de ander is het onneembare hindernis. Toen ik ziek was werd ik ook omringd door een drempel. Ik zag soms hoe iemand zijn moed bij elkaar zocht om mij vervolgens aan te spreken. Logisch. Ik kon en kan me dat goed voorstellen. Er was nogal een barrière te nemen. Als je mij vroeg hoe het met me ging, kon het best zo zijn dat ik daar een moeilijk antwoord op zou geven. “Slecht, ik ga dood” was best voorstelbaar. Maar dat niet alleen. Ook zou het kunnen zijn dat mijn antwoord slecht te verstaan zou zijn. Help! Ga je iemand die moeilijk spreekt vragen om iets te herhalen? En wat doe je als je het dan nog niet verstaat? Kortom, alle lof voor de mensen die me benaderden.

Ik bedacht vrij snel dat ik mijn toegankelijkheid moest vergroten. Ik ben begonnen om iedereen te groeten. Eerst met een knikje, maar al snel met “goedemorgen, hoi, hallo”. Het spreken met mij moest de ander iets opleveren, dan zou ik daarmee meer en betere contacten krijgen. Blijven groeten dus!

Ik maakte geen uitzonderingen. Ik liet me niet afschrikken door uiterlijk, onbekendheid of status. Voorheen zocht ik mensen uit om contact mee te maken. Dat doen we vaak, denk ik. Als ik de weg moest vragen zocht ik iemand uit van wie ik me kon voorstellen dat ik zonder problemen een goed antwoord zou krijgen. Onbewust selecteerde ik iemand die op me leek. Een vrouw met een kind, iemand van mijn leeftijd, of op z’n minst iemand die vriendelijk keek. Ik discrimineerde, maakte onderscheid. Ik vroeg niet gauw de weg aan iemand in een rolstoel, met een hoofddoek of iemand die afwijkend oogt. Die neiging ging totaal onverwacht overboord vanaf de dag dat ik mijn haar verloor. Ik heb me lang afgevraagd hoe dat kwam en ik heb daar wel een antwoord op gevonden. Ik weet alleen niet zeker of het klopt.

Ik leek op niemand en niemand leek op mij!

Ik heb wel eens gezegd dat ik de club -van zwangere kankerlijers met een hersenbeschadiging en een voorliefde voor haken- niet kon vinden. Toen ik met een hoofddoekje (vanwege mijn kale chemohoofd), een dijk van een spraakgebrek en een rollator liep hoorde ik niet meer tot de groepen waar ik oorspronkelijk bij hoorden, maar kwam ik in andere categorieën terecht. Waar ik mijzelf in de zomer van 2007 nog tot de groep zwangere vrouwen of jonge moeders of floormanagers kon rekenen ging ik in de herfst naar de groep patiënten. In de winter verhuisde ik, via de groep verwarden en verlorenen, naar de club minderwaardigen en gehandicapten. In de daarop volgende lente leek er geen clubje of groep meer te zijn waar ik in of bij hoorde. Het was niet alleen zo dat anderen mij niet meer in mijn oorspronkelijke groepen konden plaatsen. Ik kon dat zelf ook niet. Hoewel ik nog steeds zwanger, jonge moeder en zelfs floormanager was voelde ik me niet meer thuis tussen de mede-zwangeren, mede-moeders en collega’s. Ik beliep een ander pad.

Ik voelde verwantschap met mensen die slecht Nederlands spreken, ik voelde verwantschap met vrouwen met hoofddoekjes, met onschuldige gevangenen, met zonderlingen. Dat gevoel van verwantschap overviel me keer op keer tot ik me realiseerde wat wij delen. Tot ik snapte dat wij collega’s waren.

Ik maakte korte gespreksopeningen over het weer, zware tassen, natte voeten. Ja, ellende delen schept een band! Maar ook door iets aardigs te zeggen of hulp aan te bieden verlaagde ik de drempel. De kinderen dwongen ons, grote mensen, soms tot contact. Kindje wil met dochter spelen. Waar? Wanneer moet ik haar weer ophalen? En als dat eerste contact liep, dan werd de drempel lager voor een volgende keer. Ik werd benaderbaar. Ook werd het makkelijker voor iemand als ze eenmaal wisten hoe ik aan de mankementjes gekomen was.

Logo kaartje