Revalidatieparadijs

kaah.nl

foto 2

Het revalidatieparadijs is mijn eigen omgeving. Ons huis onderaan een heuvel. Bovenaan de berg staat een bushalte. Het station (en dus de wereld) binnen handbereik. Een kinderdagverblijf halverwege de heuvel en de school op de hoek van de straat. Voor ons huis is een trappetje van vijf treden, in de achtertuin zijn het er drie. We hebben een toilet naast de voordeur. Ons huis heeft drempels en is knus (lees: klein). Hardop zeggen dat we een klein huis hebben geeft me een gevoel van gêne. Ooit heeft hier een gezin met zeven personen gewoond. Wij zijn slechts met z’n viertjes. Klein is dus relatief. Er is een kinderboerderij in de straat en er zijn winkels in de buurt. Een hele gewone omgeving, denk ik. Wat het echt een Revalidatieparadijs maakt zijn onze twee dochters.

Toen ik thuis logopedie kreeg, was ik bezig met mondmotoriek, articulatie, ontspanning, ed. Ik trachtte een natuurlijker manier van spreken aan te leren. Dat lukte niet en ik geloofde ook niet dat ik dat leren kon. Op een goede dag zat ik thuis aan tafel met de logopediste en ik las haar een gedichtje van Annie MG voor. Ik keek naar buiten en zag door het raam het kinderdagverblijf waar ik mijn baby naar toe had gebracht om therapieën te kunnen volgen. Dit klopte niet.

Ik werd woedend. Ik had mijn hele leven moeder willen worden en nu las ik niet mijn eigen kinderen, maar een vreemde vrouw, voor! Mijn woede was niet gericht op de logopediste. De woede kwam vooral voort uit het besef dat ik met de kanker had gekregen; het leven is tijdelijk en eindig en ik weet niet hóe tijdelijk. Ik besloot met alle therapieën te stoppen, en voor mijn kinderen te zorgen en met hen mee te groeien. Ik bevond me tenslotte in een revalidatieparadijs! Mijn probleem was niet dat ik niet goed (gearticuleerd) kon spreken, maar dat ik slecht contact kreeg met mijn omgeving. Dat we de ruis niet konden overbruggen. De oplossing voor dat probleem was niet te vinden in een betere /l/ of mooiere /r/. Ik nam mij voor om niet meer te proberen om ‘beter’ te spreken, maar om ‘beter’ te leren communiceren.

De meisjes maakten dat ik ook daadwerkelijk de heuvel op moest. Dat ik de trappetjes moest bedwingen. De baby moest verzorgd worden. Luiers, flesjes, knoopjes, strikjes. Ik moest niet alleen de trapjes bedwingen, ik moest ze trotseren mét mijn kostbare baby in mijn armen. De kleuter wilde haar boterham in stukjes, samen een puzzel maken, geduwd worden op de schommel. Poep onder schoenen? Schminken? Haren vlechten? Halen en brengen? Mandarijntje pellen? Kinderfeestje? Niet alles lukte. Maar ik heb alles geprobeerd. En nog een keer, en nog een keer. En koken, boodschappen doen, wassen, knoop aannaaien. Ik heb nooit meer een ‘oefening’ gedaan, maar ben in mijn revalidatieparadijs alle uitdagingen aangegaan. Ik ben gaan leven met lef en gaan terugwinnen.

 

Logo kaartje